Blauw van de kou
Franz Josef Glacier is precies wat het zegt: een gletsjer ontdekt door de Oostenrijker Julius Haast (het woord 'turbo' bestond toen nog niet) en vernoemd naar de Oostenrijkse machthebber. Het bijzondere aan deze gletsjer is dat hij zo ongeveer door het regenwood loopt. Zo zie je vanuit het dorp (dat voor het gemak ook Franz Josef heet) palmbomen en daarachter de gletsjer. Beetje weird wel ja. Nieuw Zeeland zou Nieuw Zeeland niet zijn als er niet plenty mogelijkheden zouden zijn om je uit te leven en je toeristengeld dankbaar uit te geven. Helikoptervluchten naar de gletsjer, gletsjerwandelingen, ijsklimmen, rondvluchten boven de gletsjer; roept u maar! Ik had besloten om er twee nachten te blijven. Mits je je bustrips zelf goed organiseert, is het mogelijk om met zo'n buspas van en op een bus te springen waar en wanneer je zelf wilt. Het is nu hoogseizoen, zodat plannen en vooruit boeken noodzakelijk zijn. Zonder al te veel te overdrijven, ben ik daar best handig in waarmee voor mij een belangrijke bottleneck is opgelost.
Qua weersverwachtig was het uien. Het zou de hele week regenen. Ondertussen had ik Rob en Becky leren kennen. Rob komt uit Sint Oedenrode (hé, dat ken ik), maar woont al vijf jaar met Backy in Zurich. Zij blijven ook twee dagen en we hoopten dat het maandag mooier weer zou zijn dan zondag. Het is echt ongeloveloos: de hele zondag heeft het gestortregent. Zo erg dat we besloten om de gletsjerwandeling voor maandag nog niet te boeken en eerst het weer van maandag af te wachten.
Maandagmorgen zeven uur was het droog en deed de zon dapper haar best. Snel aankleden, inpakken, ontbijten, uitchecken en wandeling boeken. Om een uur of acht vertrokken we met een man of tien met het busje naar de voet van de gletsjer. Nou ja, voet. Het geeft niets dat die gletsjer de afgelopen honderd jaar meer dan de helft geslonken is, maar het betekende wel dat we in mijn beleving nog een takke-end moesten lopen voordat we echt het ijs opgingen. En dat alles met een extra rugzak met daarin leren halfhoge schoenen met zaagbladen eronder, zodat we met haaietanden lekker op en in het ijs konden klunen. Verder twee paar erg dikke sokken, een regenbroek, een regenjas, een paar wollen handschoentjes en een heuse ice axe (een pikhouweel om nog enigzins houvast op het ijs te hebben). Lang leve de kilo's.
Het ijs was erg mooi. Het leek van een afstand of de golven van de Noordzee bevroren waren. Hoe dichterbij des te mooier het werd. We liepen langs enorme putten, levensgrote scheuren, giga-gleuven en spleten (ehm… klinkt niet echt vrouwvriendelijk) waar het water onderlangs kolkend bergafwaarts stroomde. Daar moet je dus niet invallen! De tocht voerde ons door nauwe gangen die spiegelglad waren, zodat ik semi-sportief met mijn ice axe om mij heen sloeg. Het idee erachter was dat ik een bepaalde mate van stabiliteit en vooruitgang hiermee zou bewerkstelligen. Dat viel echter in de praktijk ietwat tegen. Het smeltwater stroomde in mijn nek en als je met je fleece tegen de ijswand aanleunt, zit je er meteen aan vast. Toch nog maar eens een keertje goed over nadenken of ik echt zo graag naar Antartica wil. Wollen handschoentjes zijn meer last dan gemak dus dan maar met blote handjes. Ik blij dat de zon schijnt! Het was niet erg koud op de gletsjer; is maar beter ook, anders was ik subiet omgekeerd! Je moet er ook niet aan denken dat zo'n gletsjer in een keer in beweging kan komen en bijvoorbeeld je kan pletten. Of dat je uitglijdt en wegzakt in zo'n scheur en door de rivier onder het ijs meegesleurd wordt. Ik vond het niet eng; ik heb ook geen moment aan bovenstaande zaken gedacht. Zolang ik het niet koud heb, gaat alles oké met mij!
Het blauwe ijs vind ik het mooist. Dat is zo zuiver en puur. Het lijkt wel een edelmetaal. Absoluut indrukwekkend om tussen deze 'stalen' wanden te lopen. Het lijkt alsof iemand de deur van een megavriezer had laten openstaan en het ijs er uit kwam zetten. Zeg maar net als het vriesvakje zonder deurtje in de koelkast in mijn studentenhuis… ooit.
Lunchen deden we natuurlijk ook op het ijs. Het is even wennen om langzaamaan het smeltwater in je onderbroek te voelen trekken ondanks dat je op je regenjas zit. Snel je boterhammetjes naar achteren drukken en natafelen was er dan ook niet echt bij.
Gaan zitten op een gletsjer is een, blijven zitten is twee en opstaan, kostte mij, wat je zegt, de meeste moeite. Een sliding, een gil (die gelukkig geen ijslawine veroorzaakte) en ik was weer gered. Al klimmend en klauterend maar ook wandelend en kletsend, gingen we voort.
De tijd vloog en voordat ik er erg in had waren we weer bij het beginpunt. Terwijl we onze ijskrabbers weer voor wandelschoenen verwisselden, kletterden er achter ons nog twee rotsblokken naar beneden. Daarom heb je een gids nodig; je moet wel weten waar je gaat zitten tenslotte.
Ik telde tenen en vingers; ja, allemaal nog aanwezig en in de juiste kleur. We konden weer gaan, op naar de warmte. Ik had het weer mooi voor elkaar; het was niet ik, maar de gletsjer; die zag blauw van de kou.
|