Pasen valt vroeg dit jaar
Zondag 23 maart 2003
Wie herinnert zich nog de zondag dat ik tegen mijn broer zei: ´Nard, ik
weet het, ik ga op reis´. Dat was precies twee jaar geleden. En vandaag
vlieg ik naar Paaseiland. Dat gaat met enige horten en stoten, maar dat
mag de pret niet drukken. Voor de eerste keer in mijn leven zit ik in een
vliegtuig dat vanwege een mankement in de navigatie-apparatuur moet
terugkeren naar de pier. Ieks! Je moet er niet aan denken. Ga je eindelijk
naar Paaseiland, zou het vliegtuig neer storten. Ben je er geweest, maar
niet op Paaseiland.
Een uur later is alles in orde en vlieg ik op weg naar mijn
droombestemming. Naast het prachtige geluid van de sluiter van een
spiegelreflexcamera (vooral als die sluitertijd wat langer is), houd ik
van het geluid van een startend vliegtuig. Die brullende motoren, het
optrekken van het vliegtuig; die krachtexplosie. Dat echter terzijde.
Waarom Paaseiland? Paaseiland heeft een bijzondere aantrekkingskracht op
mij. Zo schreef ik anderhalf jaar geleden toen ik mijn planning aan het
maken was. Sinds ik van het bestaan van die beelden af weet, heeft het mij
geboeid. De oorsprong, het waarom, het hoe en het wat. Daarnaast de
ongelofelijke geisoleerdheid. Minimaal 2000 kilometer voordat het volgende
bewoonde eiland zich aandient. Dat verzin je niet, daarmoet je niet teveel
over praten, dat moet je horen, zien, voelen, betasten, ruiken, ervaren.
Volgens mij. Daarom dus.
In het vliegtuig maak ik kennis met Mark (Dld) en Heather (VS). Ook zij
hebben het zich verheugend enthousiasme van ´eindelijk naar Paaseiland´
over zich en dat bindt. We lachen en kletsen heel wat af. Verder ben ik
altijd zeer benieuwd wat de andere passagiers in het vliegtuig gaan doen.
Gaan ze naar Paaseiland of vliegen ze door naar Tahiti? De mannen die aan
de andere kant van het gangpad zitten, zo verzin ik ter plekke, lijken mij
wel een stel dat eens lekker luxe naar Tahiti op vakantie gaan en het er
eens goed van gaat nemen. Backpackers die naar Paaseiland gaan, haal je er
zo tussenuit. Zo leuk, ongegeneerd mensen kijken.
Vijf uur later en nog eens twee uur tijdsverschil erbij, zet ik voet aan
land cq op eiland. Tweehonderd een en tachtig jaar nadat landgenoot
admiraal Jacob Roggeveen hier op 6 april 1722 (dat scheelt weer even
rekenen) op Paaszondag (Goh, hoe zou dat eiland toch aan zijn naam gekomen
zijn?) dat jaar als eerste ´Westerling´ Rapa Nui (groot land) ontdekt,
stap ik met nog ik weet niet hoeveel anderen (honderd? tweehonderd?) uit
een vliegtuig.
EIN-DE-LIJK !!!
Het is bijna middernacht en aardedonker, zodat ik nog even geduld moet
hebben. Nog een nachtje slapen.
Maandag 24 maart 2003
Vandaag ben ik precies 33 ¾ jaar oud en na anderhalf jaar reizen sta ik
dan ´s morgens mijn eerste Moai (beeld) te omhelzen. Geweldig! Het is wel
heel raar moet ik zeggen. Zo lang naar uitgekeken en dan is het eigenlijk
gewoon een kwestie van in een vliegtuig stappen (en er weer uit) en dan
ben je er. Zo eenvoudig! Het zou bijna verboden moeten worden. Het is te
ontnuchterend voor mij die van tijd tot tijd, vooral op een moment als
dit, graag in haar eigen droomwereld zou willen blijven leven. Van het ene
beeld stap ik, blij als een klein kind, naar het volgende en Keith (die in
hetzelfde guesthouse als ik verblijft) is zwaar de klos; hij mag iedere
keer een foto nemen. Na vier uur rondrennen is het mooi geweest. Niet te
veel op een dag. Langzaam wennen, niet te gulzig. Tien dagen is meer dan
genoeg. Lang leve de siesta.
Maar als de zon in de zee zakt, zit Jacq alweer aan de kust, bij haar
beelden. Haar camera maakt overuren. Zijzelf niet. Even de rest van de
wereld wegdenken; niet terugkijken naar gisteren of vooruit plannen voor
morgen. Ik heb er geen woorden voor, ben sprakeloos. Ik, hier, nu,
Paaseiland.
Zondag 23 en maandag 24 maart 2003. Het had een Paasweekend kunnen zijn.
Dat was het niet. Voor mij wel. Ik zeg gewoon: Pasen valt vroeg dit jaar!
Te Pito o te Henua
Waar ik op Fiji nog met twee mannen genoegen nam, reisde ik op Paaseiland
met maar liefst drie mannen rond. Da's wel zo gemakkelijk als je een jeep
voor vier personen huurt. En als je dan ook nog min of meer dezelfde
dingen wilt zien, (wat al snel het geval is op Paaseiland, daar alle
bezienswaardigheden merendeels variaties op eenzelfde thema zijn) komt dat
helemaal goed uit. Gebroederlijk crossten Paul, Gregory, Keith en ik in
ons 4wd-vehikel voort en aangezien we allemaal wel van de foto's waren,
klikte dat goed en er op los.
Tot op het moment dat er besloten moest worden of we al dan niet naar de
navel van de wereld zouden gaan. Kleine inschattingsfout van de heren.
Daar zou wel niets aan zijn en niet belangrijk en meer van dat soort
argumenten. Nou, daar dacht ik persoonlijk net even iets anders over!
Niets aan? Niet belangrijk? Je denkt toch zeker niet dat ik als
navelneuroot deze plaats op dit eiland ga overslaan? Ze begrepen er niets
van. Paaseiland wordt als eiland zelf vanwege haar geisoleerde ligging
toch al de navel van de wereld genoemd; of dat dan niet genoeg is? ´Nee´,
verkondigde ik met de stelligheid van mijn dominante karakter en kon
vervolgens uitleg geven.
Zelf weet ik ook amper nog hoe het begonnen is, maar ik weet wel dat ik al
erg lang een hekel aan navels heb. Als kind dacht ik dat het een fragiele
sluiting was die het buikvel netjes bijelkaar hield. En als er een baby in
je buik zat, dan kon dat open en de baby eruit. Dat zou vast niet zonder
slag of stoot gaan en bloed en pijn hou ik niet van, waarmee de
vieslijkheid van dit lichaamsdeel voor mij een feit was. Tsja, in een tijd
dat je als kind geen vragen durft te stellen is niets eenvoudiger dan zelf
een oplossing verzinnen toch? Logisch dat alle mensen een navel hebben en
niet alleen de meisjes. Als baby zit je toch aan een navelstreng vast?
(Dat wist ik dan blijkbaar al wel.)
Goed. De oorzaak is al rap naar de achtergrond geschoven; het gevolg
gebleven: Jacq heeft een hekel aan navels. Op mijn afstudeerborrel het ik
er een mooie poster met de navels van mijn jaarclub aan overgehouden en
alhoewel ietwat stoffig, heb ik hem nog steeds.
Wat ze van mij dachten weet ik niet, maar de richtingaanwijzer ging aan en
we sloegen links af. Op naar de navel van de wereld. Een ronde steen,
formaat opblaasbal met vier kleine stenen, die de vier windrichtingen
representeren, er om heen. Ik rende er heen. Maar goed dat er op dat
momnet geen andere toeristen waren, die haddden het zeker moeten
ontgelden.
In mijn kinderlijk enthousiasme ging ik onmidellijk op de grote ronde
steen zitten, bleef daar twee seconden als aan vastgeplakt op zitten,
alvorens met een bungyjump in omgekeerde richting er weer van los te
komen. De steen lag al een paar uur in de zon en mijn achterste zat er dus
bijna als een kipfilet op vastgegrilld. Het is weer eens iets anders dan
een tatoo.
Voorzichtig schuif ik mijn t-shirt omhoog en kijk naar mijn eigen navel.
Hmmm, het valt eigenlijk wel mee. Helemaal niet eng of vies. Eerder
schattig of aandoenlijk. Zo heb ik er nog nooit tegenaan gekeken.
Glimlachend kijk ik om mij heen. Nog steeds niemand te zien. Mijn
reisgenoten zijn allang weer verder gelopen. Aangetrokken door de magie
van deze grote steen, loop ik er nog eens omheen, voel het gladgepolijste
oppervlak en kijk dromend naar de einder. Oneindige watermassa, waar ik
ook kijk. Nietig en groots voel ik mij tegelijkertijd. Vanaf vandaag, zo
besluit ik, hou ik van mijn navel. Mijn Te Pito o te Henua is mijn
wereldnavel geworden.
|