Snotneus
Vanaf het vertrek uit La Paz zag ik het aankomen. Lege batterij, overvolle
opnameplaat, metaalmoeheid, harddisk overflow, kortom: moe. Terugkijkend
naar de foto's zie ik het ook. Wallen onder de ogen die steeds groter en
pupillen die steeds kleiner worden. Het lijkt zowaar of ik weer terug ben
in het laptop-mobiele-telefoon-auto-van-de-zaak tijdperk. Het moet niet
gekker worden.
Maar dat wordt het wel. En ook dát weet ik; diep in mijn hart. Maar
toegeven? Ho maar!
Cusco is een heerlijke stad. Het is behoorlijk toeristisch omdat het de
stad met vliegveld bij Machu Picchu is. Dat heeft ook zijn voordelen. Het
is er Westers met lekker eten en drinken, musea, boekhandels (met Engelse
boeken!), winkels en terrassen. Hier kun je rust vinden. Dat doe ik dan
ook. Prompt breekt de verkoudheid los. Is dit het principe van als je op
vakantie gaat krijg je de terugslag? Ik slaap twaalf uur per dag en ben
nog moe. Of is dit een kwestie van gewenning?
Ondertussen speelt het hele Machu Picchu gebeuren ook nog door mijn hoofd.
Het is de hamvraag: wel of niet dé Inca trail naar Machu Picchu lopen (wat
heet: doorstaan!). Het is dé vraag die je gesteld wordt als je naar Cusco
gaat of bent geweest en zoals overal zijn en voor- en nadelen aan
verbonden. Voor de één ben je niet in Peru geweest als je niet de Inca
trail gelopen hebt en ander vindt het de Coca Cola trail omdat iedereen
(en met name Amerikanen) hem lopen. Het schijnt 'massawerk' te zijn en
veel 'platgetreden paden'. Er zouden veel mooiere trails in de omgeving
zijn. Maar ja, waar is waar, er is maar één echte Inca trail.
Zodoende wordt in mijn hoofd het gevecht gehouden: Met de trein naar Machu
Picchu of de trail hiken. 'Kom op', zegt het ene stemmetje in mijn hoofd,
'je bent toch geen watje? Je laat je toch zeker niet door een simpel
verkoudheidje uit het veld slaan? Denk eens aan al die dappere vrouwen die
op ontdekkingsreis gingen? Die hadden nog lange rokken aan en zaten
schrijlings op paarden. Die reisden zonder kaart en met gevaar voor eigen
leven. Die hadden niet alle luxe en gemakken die ik mij kan permiteren. En
ik? Ik haak al af bij een snotneus? Ik kon toch vorig jaar ook met mijn
half zieke lijf van Thailand naar Nederland vliegen en de hele dag door
feesten? Waarom dan nu niet? Wil ik soms gewoon niet meer?'
Woorden als 'excuustruus'en 'je wilde toch zelf zo graag alleen op reis?
Niet zeuren dan!' flitsen door mijn hoofd. Het is volgens buitenlanders
typisch Hollands: Hollanders moeten alles zien en alles doen als ze op
reis zijn. En het liefst nog grondig ook. Je bent er nu, dus vooruit met
de geit. We kunnen niet kiezen; we willen alles. Zou het daardoor komen
dat er zoveel mensen overspannen zijn? Niet snel genoeg aangepast aan de
veranderende maatschappij, waarin Calvijn en verzuiling allang naar de
achtergrond zijn verschoven, maar wiens erfgoed nog in onze genen
verankerd zit. Is het hierdoor dat we rationeel wel in staat zijn om
razendsnel allerlei beslismodellen door te rekenen, maar ons gevoelsmatig
door de uitkomst gevierendeeld voelen?
'Jemig Jacq', zegt het andere stemmetje in mijn hoofd, 'hoe lang ben je nu
al op reis? En weet je nu nog steeds niet waar je grenzen liggen? Moet je
nu echt iedere keer jezelf weer opnieuw bewijzen en daarmee toch iedere
keer weer over de schreef gaan, waarbij je uiteindelijk zelf de rekening
betaalt? Kun je niet eens voor één keer luisteren naar je eigen lichaam?'
Ik word gék van mijzelf. Speelt mijn psyche een soms een spelletje met mij?
'Hoe gaat het kind?', zegt Bernadine als zij enthousiast de deur van mijn
kamer openzwaait. Sec gezien kiest ze, met haar 'pas' tweeëndertig jaar,
naar mijn idee hierbij voor een paradoxale aanspreekvorm. 'Over snotneus
gesproken', denk ik nog, terwijl ik nasaal murmel: 'best aardig.'
'Ga je de Inca Trail nog doen?', gaat ze in hetzelfde enthousiasme verder.
Ai, dat is even een pijnlijke vraag. 'Nee, ik denk het niet', hoor ik
mijzelf zeggen. Dan maar een snotneus. Maar wel een die voor haar doen een
hele wijze beslissing heeft genomen.
|