Grensoverschrijdend
Met pijn in mijn hart heb ik Mancora verlaten. Het was er zo heerlijk dat ik er nog wel weken had willen blijven. Wolken hadden zich samengepakt en toen ik om een uur of negen ‘s morgens in de minibus zat, begon het te regenen. Toch op het goede moment vertrokken. De minibus werd op de ondertussen wereldwijd bekende methode volgepropt; met gemak dertien personen en drie kinderen erin. De chauffeur heeft altijd een riant plek, zowel qua oppervlak als uitzicht. Vooral naast zich. Ik kan nu wel concluderen dat er altijd en overal minstens één en het liefst twee locale schoonheden naast hem zitten. Weet je ook meteen waar die ongelukken onderweg vandaan komen. Wat nou twee handen aan het stuur.
Als je als buitenlander in een minibus instapt, levert dat enerzijds minachting op en dwingt het tegelijkertijd respect af. Mij krijg je niet snel gek meer en dat straal je dan blijkbaar uit. Al met al kan ik dan altijd toch wel riant zitten en aangezien ik de aanwezige kinderen meestal snel geëntertained heb, is het ijs met de rest van de passagiers dan ook snel gebroken. Alhoewel ik nog in de relax modus van zon, zee, strand verkeerde, was ik toch wel benieuwd hoe dit verhaal zou aflopen. De grensovergang stond in mijn reisgids aangekondigd als vervelend, druk en warm. Je zou op de verkeerde plaats afgezet worden en de verkeerde kant op gewezen worden. Tot slot stond er het dringende advies aan vrouwen die alleen reizen om in géén geval in je eentje de grens over te gaan. ‘Het zal wel loslopen’, had ik mij bedacht en was vol goede moed ingestapt.
Een uur of drie later stond ik bij de Peruaanse migratiedienst. Mijn rugzak was al van het dak afgehaald en het minibusje reed verder. Aha, dit is dus wat ze in de reisgids bedoelden met op de verkeerde plaats afgezet worden. Het was immers nog drie kilometer naar de feitelijke grensovergang, een brug, in Aqua Verdes. Is het raar dat er als ik naar buitenloop al drie brommerboys klaar staan om mij naar de grens te gassen? Nee dus, want zo gaat dat daar nu eenmaal. Er zit niets anders op. ‘Is het de eerste keer dat je naar Equador gaat?’ vragen ze stuk voor stuk. ‘De derde keer’, lieg ik. Ja, kom nou, ik ga een beetje zeggen dat het de eerste keer is, dan vragen ze meteen helemaal woekerprijzen voor dat pruteindje naar de grens, waar gegarandeerd de volgende groep vriendjes klaar staat. Even was ‘mijn’ (daar hij zich al zodanig bij mij opgedrongen had, dat de anderen al waren afgedropen) brommerboy van slag. ‘De derde keer?’, vroeg hij verbaasd? ‘Bij deze grensovergang?, zo vroeg hij verder. ‘Ja’, antwoordde ik met een pokerface. ‘Oh’, zei hij, ‘dat is raar. Ik kan je mij helemaal niet herinneren.’ Oef, dat was opletten geblazen met wat ik zei. Na nog wat heen en weer gepingpong van wanneer dan en ik er maar op los fantaseren van een paar weken (of was het maanden) geleden, was het dan oké. Woekerprijs bleef ook na onderhandelen een woekerprijs. Het zij zo, in lopen had ik echt geen trek meer. Dat ik dat in India nu deed; oké. Zo fit ben ik nu echter niet meer en die paar soles kan ik ook nog wel lijden.
Welkom in de heksenketel die Aqua Verdes heet! Het was er warm en het was er druk. Erg druk. Er stonden alweer minibusjes klaar. Ik vetrouwde het niet. De types daar keken te onguur uit hun ogen en het ging allemaal veel te snel. Er werd aan mijn rugzak getrokken en dat is meestal de bloody limit voor mij: blijf van mij af! Er wordt niet aan mijn rugzak getrokken. Ik geef sowieso zelf wel aan óf en zo ja, wanneer er aan mij gezeten wordt. Geen idee hebbend waar ik heen moest, liep ik het smalle straatje uit. Even naar links en ik kwam op de brede straat uit die naar de brug leidde. Daar ik mij netjes ‘afgestempeld’ had, mocht ik de brug en daarmee de grens over lopen. Aan de andere kant kon ik geen kantoor vinden. Mijn vragende blik sprak blijkbaar boekdelen, want de grensofficials in hun groene uniformen vertelden mij dat het Equadoriaanse migratiekantoor een paar kilometer verderop lag. Ik heb het voor waar aangenomen. Bij een grote garage met daarin een paar bussen geparkeerd, vroeg ik of ze naar Cuenca gingen. Nee, dan moest ik een paar straten verderop zijn. Ik geloofde het maar half en ook dat zal van mijn gezicht af te lezen geweest zijn. Prompt stonden vijf man mij te overtuigen dat ze de waarheid spraken. Rustig, rustig, kalmte kan uw leven redden. Ik ga er wel kijken. Dat dacht ik dan, want zo goed is mijn Spaans nu ook weer niet.
Wat een paradijselijk gevoel als inderdaad op de aangegeven plaats een kantoortje is, waar je eenvoudigweg een kaartje kunt kopen voor een luxe bus, die met een tussenstop bij de paspoortstempelclub, in één keer doorrijdt naar Cuenca. Of kwam het door de Magnum waarop ik mijzelf getrakteerd heb? Likkend aan dit staaltje van Westers genot, hing ik in de ietwat doorgezakte stoel en zag het panorama van een nieuw land aan mij voorbij trekken.
Baf-kadaf, daar stond weer een vet stempel. Wel ja, pak maar gewoon een nieuwe bladzijde. Als of het allemaal niets kost. Weer terug in de bus, dacht ik dat ik nu ongestoord kon gaan tukken, maar niets bleek minder waar. Controle. Streng kijkende militaire mannekes komen de bus in en bekijken aandachtig mijn paspoort. Het is in orde. Mooi zo. Dan nu tukken? Nee dus, het ritueel herhaalt zich nog twee keer, waarbij we de laatste keer allemaal de bus uit moeten. Het winkeltje bij het benzinestation waar we stilstaan, doet goede zaken. De meesten weten dat het langer gaat duren en kopen nog wat te eten en te drinken. Je vraagt je af van welke militair zijn broer deze toko runt. Het zal toch immers niet toevallig zijn dat we net hier gecontroleerd worden. Eindelijk, kan ik dan na de derde keer, onderuit zakken en loom in slaap dommelen. Zo’n slaap waarbij je nog net wel weet dat je in een bus zit, maar net niet meer hoort wat er gezegd wordt. Zo’n slaap waarvan je niet niet echt uitrust, maar ook niet moe wordt. Zo een die je tijd en de vrijheid geeft om indrukken te verwerken en om alles om je heen los te laten.
Het is een uur of acht als ik met de taxi bij het door mij uitgekozen hostel terecht kom. Het is er een beetje een vaag verhaal. Ik krijg een balzaal van een kamer met een tweepersoonsbed en eigen badkamer op een totaal andere verdieping dan de receptie in dit kantoorgebouw. Eerst vraag ik mij af waar dit nu weer over gaat. Dan vind ik het wel prima. Ik stal mijn spullen ruim uit en ga eten. Het worden empanada’s die ik op mijn bed gezeten, verorber. Nog een douche en wat lezen. Voordat ik het licht uit doe, concludeer ik dat het weer is gelukt. Ik ben weer in een nieuw land. Over een grensoverschrijdende onderneming gesproken. Een multinational kun je wel zeggen: Jackie Turbo Inc.
Zonnekracht
Het is negen uur in de morgen en ik heb net mijn ontbijt van koffie en croissants achter de kiezen. De stad Cuenca komt langzaam tot leven. Ik begin langzamerhand te begrijpen wat iedere reiziger heeft vlak voordat hij of zij naar huis gaat. Het lijkt nu echt een soort droom. Ik heb soort genoeg van alle Plaza’s de Armas met kathedralen, Avenida’s de las Americas en hostals Sol y Mar. Nog twee weken te gaan. Mijmerend over de plannen voor de laatste twee weken, zie ik een schoenpoetser plaatsnemen op zijn houten stoel. Hij gaat de krant lezen, terwijl hij wacht op de eerste klant. Die is er al snel. De schoenpoetser springt op, veegt de stoel af en gaat op het lager gelegen gedeelte tegenover zitten. Een man in een zakenpak gaat op de stoel zitten, pakt zijn krant en laat zijn schoenen over aan de schoenpoetser die ze even later weer laat fonkelen als diamanten. Het is mij al opgevallen dat het er hier in Equador rijker uitziet dan in Peru. De straten zijn netter, de mensen beter gekleed, de prijzen liggen hoger en de sfeer is een stuk Westerser.
Ik heb het allang besloten, het wordt een rustig dagje voor mij. Ik bestel nog een koffie en maak een plan. Eerst naar het internetcafé, dan naar het museum voor moderne kunst en dan nog wat rondlopen door de stad. Ik doe niets liever. Morgen ga ik dan naar Ingapirca, de belangrijkste Inca ruïne van Equador. Vervolgens meteen door naar Riobamba; aan backtracken doen we nog steeds bij voorkeur liever niet. De zon komt door en roept mij. Ik drink mijn koffie op, reken af en ga er van door. Eens kijken wat Cuenca te bieden heeft.
Ingapirca, muur van de Inca’s. Ruïnes, gelegen op 3160 meter hoogte. Dat was dus weer lekker slingeren met de bus. Eenmaal op de plaats van bestemming aangekomen, worden we hartelijk welkom geheten door onze gids. We kunnen een ticket kopen en onze tassen in het informatiecentrum annex museum neerzetten, alvorens we een rondleiding in het open veld krijgen. Het hoogtepunt van Ingapirca is de tempel van de Zon. Het is het enige ovaalvormige gebouw in het hele Inca rijk. Zeer waarschijnlijk was dit een heilige plaats voor de Inca’s. De zon kon dankzij deze ronde vorm, altijd in de tempel schijnen. De tempel is verdeeld in twee kamers. Een kamer op het westen en een op het oosten. Zo kon men ook in de gaten houden wanneer de zon keerde. Het hele complex is als het ware rond deze zonnewendingen opgebouwd. De locatie, orientatie en architectuur is tot in het kleinste detail hier op afgestemd. Zo schijnt op 21 juni de zon precies in een rechte lijn door een aantal poorten die in elkaars verlengde staan, over een steen met in het midden een gleuf. Ongelofelijk precies allemaal. De data, 21 juni en 21 december, waren voor de Inca’s van groot belang in verband met het planten en oogsten van de gewassen. Op deze data staat de zon respectievelijk boven de Kreeftskeerkring [op 23,5 graden noorderbreedte en genoemd naar het sterrenbeeld dat op die datum ingaat] dan wel boven de Steenbokskeerkring [op 23,5 graden zuiderbreedte en genoemd naar het sterrenbeeld Steenbok]. De kamer in het westen van de tempel is op 21 juni in de avond compleet door het zonlicht verlicht. De kamer in het oosten van de tempel op 21 december in de vroege morgen. De data werden op deze manier aan de stand van de zon afgelezen. En dan kon het feesten beginnen; even de goden gunstig stemmen.
Er zijn elf skeletten van vrouwen gevonden. Die lagen in een tombe samen met aardewerk, koper en schelpen. Geofferd aan de god van de Zon. De legende gaat dat het de tombe van een religieuze vrouw was die hoog aangeschreven stond. Ze kreeg tien andere personen mee, die haar persoonlijke assistenten zouden zijn in het volgende leven. En dat gebeurde allemaal nog koud vijfhonderd jaar geleden. Het was dezelfde tijd waarin Columbus in Zuid Amerika voet aan wal zette, Copernicus beweerde dat de zon in plaats van de aarde het middelpunt van het universum was, Leonardo da Vinci druk met uitvindingen als vliegtuigen bezig was en in Nederland Karel de Vijfde wordt geboren. Dit even voor de beeldvorming. Ik blij dat het vandaag 2 juli en niet 21 juni is. Je weet maar nooit welke tradities spontaan in ere worden hersteld.
Je vraagt je af waarom die Inca’s altijd op plaatsen bouwen die hoog en ver weg liggen? Pure strategie, zou je zeggen. Dan kun je je vijand tijdig zien aankomen en voorzorgsmaatregelen treffen. Dat klopt. Maar er is nog een reden. Hier op deze plaats heb je de ultieme combinatie van de energie van de bergen en het licht van de zon. Dat is goed voor lichaam en geest. De mensen die hier wonen worden ook allemaal erg oud, zo verteld onze gids. Ja, behalve als je geofferd wordt, denk ik nog. Wel stiekem ondertussen mijn gezicht nog eens een extra keer naar de zon draaien en heel diep ademhalen. Een extra portie zon en frisse berglucht kan nooit kwaad. Een jaartje extra zonnekracht kan er altijd bij.
Kitserdebitsie
Met zijn drieën reizen we verder. Sonja, uit Duitsland en Sabina uit Zwitserland en ik. Sonja en Sabina zijn aan het rondreizen door Equador en zijn ook op weg naar Riobamba. We hebben elkaar in de bus naar Ingapirca al ontmoet en na wat wederzijds foto’s bij de tempel van de zon nemen, klikte dat, letterlijk en figuurlijk, al snel. Onderweg moeten we overstappen op een andere bus. Dat duurt even en daarom hebben we tijd genoeg om bij een winkeltje annex restaurantje wat inkopen te doen. Ik hou het op water en fruit. Ik vraag aan de eigenaresse of ik hier naar het toilet kan. Dat mag. Ze gaat mij voor, als we een gang achter het restaurantgedeelte in lopen. We komen terecht op een deels overdekte binnenplaats. Aan de lijnen hangt de was in de zon te wapperen. We lopen naar het afdak. Daar hangt een varken aan een touw aan het dak. Ze schuift het dode beest een stukje opzij, zodat er een hokje met een toilet zichtbaar wordt. De deur ontbreekt. Ik bedank haar en de vrouw loopt terug naar de andere klanten in het restaurant. Ik ga zitten op het toilet en kijk recht tegen het varken aan. Het hangt er doodstil, met zijn snuit omhoog. Het doet mij denken aan het verhaal van Anton Koolhaas: ‘Mijnheer Tip is de dikste mijnheer’. ‘Kitserdebitsie’ is de gevleugelde uitspraak van Mijnheer Tip, die op dat moment het dikste varken van de stal is en nog niet begrijpt waarom steeds het dikste varken weggehaald wordt. Als ik nog een goed kijk, zie ik dat er een stuk van de huid van deze Senor Tipo is weggesneden. Een keurig net vierkant van zo’n twintig bij twintig centimeter. Het is mooi en luguber tegelijkertijd. Gefrituurde varkenshuid. Dat is een lekkernij hier.
|