Trein is fijn
Daar zat ik dan. Wat mij betreft konden we vertrekken. Wat ik ook ging zien, het was per definitie geweldig. Met Sonja en Sabine was ik de dag ervoor naar het station gegaan om kaartjes te gaan regelen voor de treinreis die oorspronkelijk van Duran bij Guayaquil aan de kust (zeeniveau), naar Quito (op 2857 meter hoogte) liep.
Zo’n 15 jaar geleden was dit een onderdeel van de drukke spoorlijn van Quito naar Guayaquil. De trein zat in die tijd voornamelijk vol met boeren die hun waren vervoerden. De enkele buitenlander die meereisde moest net als de lokalen noodgedwongen toevlucht zoeken op het dak voor een plaatsje en realiseerde zich dat het uitzicht van hieruit fenomenaal was. Ondertussen is de helft van deze lijn is door het natuurverschijnsel El Nino weggevaagd, maar de sterke bouwstaaltjes om een trein op zo’n korte afstand zo enorm te kunnen laten klimmen, dan wel dalen, zijn gelukkig bewaard gebleven. De krachtterm Nariz del Diablo (duivelsneus) is onlosmakelijk met deze treinreis verbonden. Dat beloofd wat.
Sonja spreekt van ons drieën het beste Spaans, dus die neemt het woord. Ik had de dames grondig voorbereid door, voordat we naar het loket liepen, te zeggen: ‘Kom op meiden, sexy doen en lachen’. Ze hadden mij verbaasd aangekeken. Oeps, vergeten, in Duitsland en Zwitserland werkt het natuurlijk niet zo. Of ben ik degene met teveel ‘temperamento latino’ in het lijf?
Om drie uur zou de verkoop starten, zo vertelde een meneer in uniform, zichtbaar vereerd met een bezoek van drie blonde dames (zie je wel?). Dus doken we een café in en kwamen en passant ook nog bekenden van Sonja en Sabine tegen. Ouderwets gezellig, zodat de tijd vloog en we nog bijna moesten haasten om op tijd weer op het station te zijn. Er stonden al aardig wat mensen te wachten. Allemaal buitenlanders. Je kon ze zo indelen. De Nederlanders, Duitsers en Zwitsers stonden er al en vormden min of meer een rij. De Engelsen komen pas over een uur en de Spanjaarden en Italianen over twee uur. Als ze überhaupt nog komen. Sonja vroeg op een gegeven moment aan dezelfde meneer in uniform hoe laat we de kaartjes konden kopen. Het was immers al over drieën, dus je zou zeggen… Het ongelofelijke gebeurde. De man lachte en deed het loket open en we konden als eerste onze kaartjes bij zijn collega kopen. Vervolgens vertelde hij ons dat de volgende ochtend de trein om zeven uur zou vertrekken, maar dat we er al om kwart over zes moesten zijn, want het is altijd druk. Hij zou dan voor ons een plaatsje op het dak regelen. Zou ons lachen dan toch geholpen hebben?
Het was half zes toen de wekker ging en het is dat ik iets leuks ging doen, anders had ik mij gegarandeerd nog een keertje omgedraaid. Allemachtig wat een achterlijk onmogelijke tijd! Het was amper licht en bere koud. Laat dat douchen vanmorgen maar zitten. Met zijn drieën kleedden we ons stilzwijgend aan. De ene laag over de andere. Thermokleding over je ondergoed, tshirt, blouse met lange mouwen, lange broek over je thermobroek, fleecejack, windjack, sjaal en wanten. Rugzak met camera’s mee en klaar. Vol goede moed liepen we naar het station. We waren keurig op tijd, zelfs nog aan de vroege kant. Een lichte teleurstelling overmeesterde ons toen we het station binnenliepen; als je dacht dat je de enige zou zijn… Het stond er al bomvol. Gelukkig kwam daar onze grote vriend van gisteren in zijn uniform al aanzetten. Hij herkende ons en we kregen een kussen om op te zitten van hem. Even later was hij verdwenen. Twee treinstellen kwamen het station binnenrijden.
Het waren net twee touringcarbussen op treinwielen. Was dat alles? Dat het niet de ‘echte’ trein met een sliert goederenwagons erachter was, was nog tot daar aan toe. Maar hoe konden al die mensen met slechts twee treinen mee? En wat eigenlijk mijn grootste vraag was: ‘Hoe kom ik op dat dak terecht?’ Er zat niets anders op dan netjes in de rij te wachten tot dat het onze beurt was om via de ladder op het dak van de trein te klimmen. Eindelijk, eindelijk, eindelijk waren we dan aan de beurt. Hoe absoluut onmogelijk om logisch te beredeneren, is het feit dat, eenmaal op het het dak geklauterd, onze vriend al op ons staat te wachten en nog precies een plaatsje voor ons heeft. Totaal helemaal vooraan. Op het dak, uit je dak! Het mag dan weliswaar niet de Transsiberië Express zijn; een trein is een trein en ik had het beste plekje. We waren nog niet eens vertrokken en ik zat nu al te genieten.
Het is pas kwart voor zeven als de twee treinen zich achterelkaar in beweging zetten. Wij zitten op de eerste. Vrij uitzicht. Echt te gek. Dat het een kwartier eerder is dan gepland, kan volgens mij niemand wat schelen. Iedereen zit immers allang in of op de trein. Het eerste stukje rijden we nog door riobamba. Luid getingel van de treinbel die de auto’s moet waarschuwen. Natuurlijk rijden er altijd nog een paar door en steken vlak voor de trein over. Spoorbomen hebben ze hier niet. Eenmaal buiten Riobamba, ben ik blij met de overvolle trein en mijn vele lagen kleding, want het is ijskoud! De wind giert om je oren en de tranen rollen over mijn wangen. Van de kou; en misschien een klein beetje van ontroering.
De trein rijdt door het schitterende geel groene heuvelachtige landschap dat langzaam ontwaakt. Met op de achtergrond de besneeuwde toppen van de Andes. De namen worden genoemd en ik ben ze meteen weer vergeten. Het is te koud om ze in mijn notitie boekje te krabbelen. Wel foto’s genomen. Even nog wat geheugensteuntjes creëren. Aangekomen in Alausi is de zon intussen doorgebroken en heeft de temperatuur een aangenamere hoogte bereikt. We houden midden in het dorpje stil en meteen wordt de trein omsingeld door locals die hun koffie, thee, empanadas en aanverwante lekkernijen aan de man proberen te brengen. Dat lukt onbehoorlijk goed. De meeste treinreizigers staan op om hun benen te strekken. Ik niet. Ik zit prima en ik wil zeker mijn plekje niet kwijt. Dan gaat de trein weer verder. Langs steile afgronden zigzagt de trein de diepte in. Het is waar; hier is zeker over nagedacht. Je kan een trein nu eenmaal niet recht tegen een berg op laten rijden. Dus is hier voor het model ‘knikkerbaan’ gekozen. Je weet wel, die houten van vroeger. Waar je bovenin een knikker deed, die dan aan het einde van iedere baan door een gat naar een baan lager viel, om tenslotte beneden tegen een bel te tikken (de luxe variant) al vorens het trapje af te rollen en in een van de putjes te eindigen. Hier is aan het einde van ieder traject een soort wissel. Dus rijdt je eerst vooruit, dan achteruit, dan weer vooruit, net zolang tot je boven en aan de andere kant weer beneden bent. En dat allemaal om de Nariz del Diablo (de duivelsneus) heen. Niet dat ik nu zo snel een neus in die vorm van de berg herkende, maar ja, wie herkent the devil in disguise?
Ik had nog wel uren langer op de trein kunnen zitten, maar na de duivelsneus maakte de trein een rondje, dat is te zeggen, een triangel, linksomkeert naar huis. Bocht naar links, wissel na vijftig meter aan het einde omzetten. Achteruit over een bocht naar links, om daar na vijftig meter aan het einde weer een wissel om te zetten. Zodoende vervolgens vooruit, rechtdoor en weer terug naar Alausi. Tijdens dit ‘omkeren’ van de trein, hadden we moeten wisselen. De mensen die op het dak hadden gezeten, moesten nu in de trein zitten, zodat degenen die in de trein hadden gezeten, nu op het dak konden zitten. Dat was nou jammer. Gelukkig hadden we dit stukje al gezien.
Eenmaal in Alausi aangekomen moeten we de trein verlaten. Jammer dat het niet meer mogelijk is om het hele traject te doen. Net als vijftien jaar geleden. Op het dak van de goederenwagons tussen de locals met hun groente en fruit. Wie weet ooit nog eens. Later. Als Unesco dankzij mijn suggesties besloten heeft dat ook dit tot het culturele erfgoed van Equador behoort en het op de worldlist gezet heeft. Dan ga ik als eerste die treinrit weer maken. Ik kan er nu al over dagdromen. Trein is fijn.
|