Desireless
In 1909 werd Luang Prabang nog beschreven als: "a delightful paradise of
far niente", met daar achteraan de vraag: "Will Luang Prabang be the refuge
of the last dreamers, the last lovers, the last troubadours?" Er is
sindsdien weinig veranderd. Een heerlijk dorp gelegen tussen twee rivieren
met een hoofdstraat en een paar zijstraatjes, een markt en een paar
tempels, waar de tijd weliswaar niet heeft stilgestaan, maar vooralsnog ook
geen onherroeplijke schade aan de zo kenmerkende Laotiaanse gemoedelijke
sfeer heeft toegebracht.
Ik had er weken kunenn blijven, hetzij als laatste dromer, hetzij als
laatste troubadour, ware het niet dat het volgende avontuur alweer lonkte.
Het gevolg was dat ik op zondagmorgen 16 juni 2002 om half acht op het
busstation op de bus zat te wachten die mij naar Ponsavan zou brengen en ik
mij realiseerde dat ik vandaag preciers negen maanden onderweg was. Negen,
volgens de Chinezen het heilige getal (maar dat hoef ik alle Mah Jong
spelers niet te vertellen). Negen, het omgekeerde van zes; samen mijn
geboortejaar. Ik speelde nog even verder met getallen (zo'n leuke hobby!)
en zo kwam ik op 18 (welk getal is deelbaar door 6 en door 9?). Achttien
jaar, bijna althans, was ik toen we (Jacq, Kaar, Lin en ik) voor het eerst
met zijn vieren alleen op vakantie gingen! Met de bus; naar Spanje (waar
anders?). Het zal rond deze tijd geweest zijn, want ik herinner mij dat ik
mijn verjaardag in het Spaanse gevierd heb. Met het VWO diploma in the
pocket voelden we ons helemaal de kip. Twee hele weken (!) naar Salou; dat
zou mij een feest worden! En dat werd het. De details zal ik om privacy
redenen achterwege laten, maar het was compleet met iedere avond naar de
disco (op tijd [is vroeg] want dat kreeg je eeen gratis cocktail en en we
zijn namelijk Hollanders weet u!), elke dag bakken op het strand,
vakantieliefdes (wees niet bang, we zijn echt heeeel braaf geweest!)
gedichten ("Het leven is een danoontje en ik ben als een sperziepeentje" en
meer van dat soort post-puberale semi existentialistische poezie) en
vakantiehits. Mijn favoriet was "Voyage, voyage" van Desireless (voor de
liefhebbers: tekst onderaan dit verhaal). Het refrein vond ik het mooist
(voyage, voyage, et jamais ne revienne), dat had iets eindeloos, dat van
niet weten waar je aan begint en waar je uitkomt, die grenzeloze vrijheid.
Herinnering en toekomstmuziek tegelijkertijd. Ik kreeg bij thuiskomst de
maxi-single (jawel, de extended version) van An kado voor mijn verjaardag.
Ik heb hem nog. Verlangenloos, mooi woord. Heeft iets onwerkelijks. Net als
deze reis. Soms denk ik dat ik droom en als ik wakker word in een bed in
een huis in Nederland lig. Soms denk ik dat ik droom dat ik in een bed in
een huis in Nederland lig en als ik wakker word op reis ben. Wie zal het
zeggen?
DESIRELESS - Voyage, Voyage
Au-dessus des vieux volcans
glissent tes ailes sous le tapis du vent
voyage, voyage, eternellement
de nuages en marecages
de vent d'Espagne en pluie d'Equateur
voyage, voyage vole dans le hauteurs
au-dessus des capitales, des idées fatales
regarde l'ocean
CHORUS:
Voyage, voyage, plus loin que la nuit et le jour
voyage, voyage, dans l'espace inoui de l'amour
voyage, voyage, sur l'eau sacré d'un fleuve indian
voyage, voyage, et jamais ne revienne
Sur le Gange ou l'Amazone
chez les blacks, chez les sickhs, chez les jaunes
voyage, voyage, dans tout le royaume
sur les dunes du Sahara
de iles Fidji au Fujiyama
voyage, voyage, ne t'arrêtes pas
au-dessus des barbalés, des coeurs bombardés
regarde l'ocean
CHORUS.
Au-dessus des capitales, des idées fatales
regarde l'ocean
CHORUS.
Met je billen in de bagger
Tegen alle verwachtingen en verhalen in, bleek er zowaar een bus naar
Ponsavan te gaan. Enigzins verbazingwekkend daar er wilde verhalen de ronde
deden dat de weg nog niet compleet geasfalteerd zou zijn en je minstens zes
kilometer met je rugzak voor de bagger zou moeten lopen omdat de bus niet
verder zou kunnen. 'Het zal wel meevallen', dacht ik en in de nieuwste
Lonely Planet stond dat spoedig de hele weg geasfalteerd zou zijn en dat
was in 2000 geschreven. Instappen maar. Na ruim een uur of vijf vlotjes
rijden, luxe dus voor Laotiaanse begrippen, stopte de bus en moeste we
uitstappen. In the middle of nowhere natuurlijk. Met een kraampje waar je
wat te eten en te drinken kon kopen (al is het communisme nog zo snel, het
kapitalisme achterhaalt haar wel!). Even verderop stonden drie Russiche
legertrucks te wachten met in de overdekte bak drie rijen bankjes. Het was
mij duidelijk. Spoedig was nog niet nu. Niet dat we meteen vertrokken, nee,
dat spreekt voor zich in Laos. Met die paar personenen die in onze bus
zaten, krijg je geen drie trucks vol; althans niet volgens de prop- en
stapeltechnieken die in hier in Azie gewoon zijn, met name als het om
openbaar vervoer gaat.) Dus legde ik geduldig aan de andere Westerlingen
uit dat we vast nog wel op een paar andere bussen zouden moeten wachten.
Waarom? We konden nu toch alvast met een truck weg? Nee, zo vervolgde ik
mijn betoog, de trucks gaan natuurlijk met zijn drieen want als er een vast
komt te zitten in de bagger, dan kunnen de anderen hem eruit trekken. Het
was maar een theorie van mij, maar ik word soms zo doodziek van die
reizigers die er niet tegen kunnen als ze niet weten wat er aan de hand is
(dan moet je de taal maar spreken, denk ik dan), blijven staan springen,
klagen, zuchten en weet ik wat niet meer, dus liever een plausibel
klinkende verzonnen verklaring dan de schijnbaar onmogelijke waarheid of
onzekerheid. Deze keer bleek mijn theorie waterdicht te zijn. Na drie uur
wachten waarin twee andere bussen inmiddels gearriveerd waren, vertrokken
de drie Russische trucks, overvol geladen met mensen, kinderen, kippen,
eenden, balen rijst, groente, rugzakken, kortom het bekende tafereel.
Het begon met wat blubber waarin de trucks een beetje wegzakten en als
gevolg waarvan we enigzins heen en weer geschud werden. Even stoppen,
doorschakelen, gassen en gaan maar weer. Best te hebben echter. Even later
waren we een leveltje verder en passeerden we de eerste in de bagger tot
stilstand gekomen vrachtauto. Oef, dit werd serieus! Er werd druk
geschakeld, hard gas gegeven, de motor op zijn staart getrapt en ons van
links naar rechts, onder en boven schuddend, baanden de Russische rakkers
zich een weg door de bleke bagger. We naderden een dorpje (drie
plaggenhutten links van de weg, vier rechts, rondrennende Chinese
hangbuikvarkentjes, in 'Opel'en 'Holland' bedrukte voetbalt-shirts spelende
kids en het schouwspel aangapende locals). Dat gaf hoop. Valse, zo bleek
als snel, want het nu volgende traject grensde echt aan het onmogelijke! De
bagger was zo diep dat de drie trucks met sleepkabels aan elkaar gekoppeld
moesten worden om elkaar vooruit te helpen. De hellingshoek waaronder we
door deze in de verkeerde verhouding gemixte water en zandsubstantie heen
schoven, was er een van minder dan 50 graden (daar heb ik geen geodriehoek
voor nodig!) en het was alleen dankzij de cohesie van deze derrie dat we
niet links dan rechts om kantelden. De motoren van de ooit tot de CCCP
behorende Siberische staalbrokken loeiden als nooit te voren. De
chauffeurs, locale jongens van een jaar of twintig, hadden vaker met dit
bijltje gehakt en al schokkend en schuivend belandden we eindelijk weer op
verharde wegen. Even stoppen om de lading te inspecteren. Alles nog min of
meer op zijn plaats. Een paar voormalig tot de eend- dan wel kipachtigen
behorende wezens lagen aaan baklappen in hun kooitjes. Ze kregen een emmer
water over zich heen om bij te komen; de nek om draaien zou
diervriendelijker geweest zijn.
Instappen, starten en verder maar weer. Tegen een uur of negen 's avonds
arriveerden we in Ponsavan. In het donker lopend, op zoek naar een
guesthouse, moest ik terugdenken aan het advies van een buurvrouw die ik
tijdens mijn huismeesterschap in het Haagse had ontmoet: "Niet te veel
schrijven tijdens je reis, hoor meid; ook echt met je billen in de bagger!"
|