Doen en Laten
Luxe went snel en daarmee was een compleet verzorgde toer naar het
grootste zandeiland van de wereld rapido geregeld (viva visa). Een 4wd bus
hopte 's morgens langs alle hostels totdat iedereen er in zat (20 stuks).
Met de boot naar de overzijde. Even vroeg ik mij af waar we zouden
aanmeren, want in de verste verte geen haven of steiger te zien, toen de
klep van de pont openklapte en we als een tank op D-day in Normandie het
strand op reden. Wow, flashy start!
De volgende denkfout diende zich aan. Het grootste zandeiland van de
wereld bleek NIET de oneindig grote Sahara look-a-like zandbak te zijn die
ik mij er bij had voorgesteld. Transitional forest was de naam van het
struikgewas waar we als eerste doorheen crossten. Langzamerhand veranderde
dat in regenwoud. Verbazingwekkend dat het kan groeien. Mick, de
bestuurder van het vehikel en tevens gids wist erg veel. Zelfs zoveel dat
ik mij zowaar begon te interesseren voor termietachtige en alcoholhoudende
eucalyptis bomen (bladeren worden door Koala's gegeten, daarom slapen ze
gemiddeld 15 uur per dag; hun roes uit. Dat is nog eens wat anders dan een
doodgewone huis-tuin-en-keuken marmot) en de verdampingssnelheid en
hoeveelheid van een klein water (4 miljoen liter per uur). Het zal zijn
gevoel voor humor zijn geweest.
Yes, daar was de zee! We waren nu aan de andere (oost-) kant van het
eiland. Superbreed, goudgeel strand en bruisende branding; waarom was er
niemand aan het zonne- of pootjebaden? Ook hier had Mick een antwoord op:
Het strand is de highway van het eiland, waar jeeps over heen scheuren en
vliegtuigjes in het formaat Flying Doctors, landen. De zee had eveneens
twee mindere kanten. Allereerst de levensgevaarlijke onderstroming en ten
tweede de hoeveeheid hongerige haaien (ik ruik mensenvlees!). Aha, Jacq
blijft lekker in de bus en neemt wel een paar foto's.
Scheepswrakken, baaien, zandduinen, gekleurde rotsen, tropische
blauwwatermeren en bijbehorende hagelwitte stranden, ja zelfs een
uitkijkpunt waar een echte Spiderman-onderbroek op een paal was geplaatst;
Fraser Island heeft het allemaal!
's Avonds zouden we overnachten in Happy Valley. Dat belooft wat. Het zou
een hostel-achtig iets zijn. De kamerindeling maken was volgens de gids de
moeilijkste taak van het gids-zijn. Ik vreesde het ergste: met drie
dronken snurkers op een kamer of zoiets. Wat een geluk weer. Als enige
vrouwelijke alleenreizigster mocht ik bij Mick slapen. 'Dat is bluf', zei
ik en dat was de eerste, enige en laatste opmerking deze toer waarop hij
geen antwoord had. Had ie maar geen gids moeten worden. Iets van
'embarrassment' had hij wel. Toen iedereen druk bezig was zijn of haar
dingen te doen, bood hij zijn excuses aan (waar maak je dat heden ten dage
nog mee?). 'No worries', zei ik in mijn beste Australies en daarmee kon de
avond beginnnen.
Ondertussen had ik twee Nederlandse meiden, Marianne en Ingrid, leren
kennen. Werkzaam bij de Rabobank in Uden en wonend in Uden en Beek en
Donk. Zodoende kon ik naar hartelust mijn Brabantse geografische kennis
weer eens oppoetsen. Sint Oedenrode, Geffen, Rosmalen (ik zeg het nog
steeds met de klemtoon verkeerd), Nuenen, Eindhoven en niet te vergeten
Asten bij Ommel. Ook: 'Keigaaf', 'acherem' (zelf de accenten toevoegen
graag!), 'neie boks', 'aanrijden', 'heimlijk mesteimlijk' en 'k dach 'k
het de kiet an kant, k naai er ekkes tussenuit', passeerden in
sneltreinvaart de revue. Jaja, laat je dochter in Rotterdam studeren en ze
komt als een halve Brabo terug ('t is nie!).
Dag twee leverde nog meer natuurwonderen en verhalen aan en daarmee nog
meer lol en foto's op. De tijd vloog en voordat ik er erg in had, stond ik
weer met beide benen op de stoep van mijn hostel. Veel gezien, veel
gelachen. Veel gedaan, veel gelaten. Ik doe graag van zulke dingen.
|