De wereldreis van Jackie Turbo
Orchha, India

AankomstMaandag, 5 November 2001
VertrekWoensdag, 7 November 2001
Laatste updateZondag, 11 November 2001

Als een god in Orchha

Orchha is een schattig klein dorpje op steenworp afstand van (het verschrikkelijk drukke en opdringerige) Jhansi. Je bent dan ook oprecht blij als je er eindelijk aangekomen bent, want ook hier heeft het toerisme zijn sporen nagelaten. Niemand wil je namelijk vertellen welke bus je moet hebben, omdat ze vinden dat je maar een taxi moet nemen. Nee dus, dan wil ik helemaal perse met de bus!!!

Nadat ik mij gesetteld had, ben ik mij gaan afvragen waarom het hele dorp met kerstboomslingers versierd was. Juist ja; weer eens een festival! Het zal weer eens niet waar zijn. Ze hebben hier zoveel mensen en dus zoveel arbeidsuren dat ze volgens mij iedere week een festival hebben om al die mensen permanent aan het werk te hebben! Je gelooft je ogen en oren niet als je ziet wat hier aan voorbereiding in zit. Uren en uren en nog eens uren. In het maken van slingers, beelden, eten, versieren van het dorp en ophangen van eindeloze snoeren verlichting (waarbij je vreest voor een enorme kortsluiting, want alles wordt aan alles geknoopt. Waarschijnlijk met de volle 220 volt erop en met bezwete handen, maar ik heb nog niemand van zijn ladder zien vallen, dus op de een of andere manier werkt het wel.)

Dag 1 heb ik ik onder het 'genot' van het gezang, luid en duidelijk versterkt door enorme boxen en toeters (iedereen woont hier in een versteende plaggenhut, maar apparatuur dat ze hebben!) de tempels en paleizen bezocht. Dat is zeer zeker de moeite waard hierin Orchha, echt! 's Middags ben ik naar de rivier gelopen waar inmiddels een enorme tent opgesteld was. Wat blijkt? Dag 2 zal een zeer belangrijk persoon, namelijk god, een bad nemen in de rivier achterna gesprongen door vele honderden, ja duizenden volgelingen (waar ken ik dat van?). Nieuwsgierig als ik ben, liep ik naar de tent. Daar zaten een stuk of honderd vrouwen kleirolletjes van een centimeter of 4 hoog te maken die met de top in een soort gekleurde hagelslag gedoopt werden. Vervolgens werden ze rechtop op een tafel geplaatst om de volgende dag in de rivier gestort te worden. Het gaat hier om de zogenaamde lingam, het fallus symbool van hoe-heet-die-god-ook-alweer. En dan heb ik het over tafels vol met dat spul he! Duizenden en nog eens duizenden! Je snapt dus dat de term 'werkverschaffing' weer met hoofdletters op mijn netvlies verscheen.

Blijkbaar was ik een interessant object wat in no time was ik omsingeld door een groep van tien oranje opa's die, waarschijnlijk in heilig sanskriet, vroegen waar ik vandaan kwam (doen ze hier immers allemaal). Wat dan te antwoorden? Niets, dus ik werd 'afgevoerd' naar een enorme dikke in oranje gewaden gehulde kale sumoworstelaar, die een hoge piet uit Bhopal bleek te zijn. Ik had het meteen in de gaten toen ik die enorme microfoon voor zijn snuffert zag; hij was het die dat ten hemelscheiend gekrijs voortbracht. [Dan moest het wel een gecastreerde zijn, dacht ik nog.] Na wat small talk, via een tolk die nog het meest leek op een van de opaatjes uit de muppetshow in een Gandhi gewaad, kon ik mijn weg weer vervolgen. Tsjonge, wat een wederzijdse integratie weer!

Dag 2 was het feest compleet. De hele dag kwamen jeeps met de rijke Indiers (ik noem ze de richies) het dorp binnenrijden. Dat moest wat worden nietwaar? 's Avonds met een paar anderen naar de rivier gelopen, maar alles klaar stond voor de ontvangst van god. Het zou twaalf uur zijn, maar om 1 uur 's nachts was er nog niets gebeurd. De planning van de Indiers inmiddels enigzins kennende, besloten we terug naar het dorpje te lopen, want het kon nog wel uren duren en de volgende dag wilde ik ook weer bijtijds op. Ik liep nog even terug van mijn kamer naar de winkel op de hoek van de eigenaar van mijn lodge om een fles water te halen. Ik werd de winkel in getrokken en mocht op het platformpje staan. Je raadt het al: god kwam er aan en ik had de beste plaats van het hele dorp! In een open wagen met (wederom) enorm veel apparatuur en licht, stond hij daar dan: een 'goeddoorvoede' (een beetje respect kan geen kwaad, maar hij was dus dik) in wit gewaad gekleede Indier van een jaar of 30. Iedereen boog het hoofd en nam de bidhouding aan. Vervolgens wilde iedereen op de wagen klimmen maar werd er resoluut ervan afgetrapt (zachtzinnig kennen ze hier niet). Toen het spektakel voorbij was, kwam de eigenaar op mij aflopen en zei met een stem die droop van eerbied en respect: dat was god! [Mooi, kon ik eindelijk gaan slapen, dat baden geloofde ik wel.]