| Aankomst | Woensdag, 26 Juni 2002 |
| Vertrek | Zondag, 30 Juni 2002 |
| Laatste update | Woensdag, 24 Juli 2002 |
Déjà vu
Met twee homo's in mijn kielzog, ga ik wederom voor anker in Bangkok.
Gevoel van thuiskomen borrelt op. Van uit het station, lopen naar de boot,
naar Balangphu varen, naar de staat met de guesthouses. Daaaag, daar ben ik
weer. Ja, dat je mij nog herkent! Cool! Wat? Half jaar geleden. Ja, de tijd
vliegt! Inchecken, klaar. Daaaag David en Allen, see you later and enjoy
it. No problem, you're welcome. Yes, I'll take care, I always do.
Ontbijten, wasgoed wegbrengen, het gaat bijna automatisch. Op naar het
postkantoor. Ik zou de weg blind kunnen vinden. Daaaag meneer van de poste
restante, daar ben ik weer! Zooooo, zeven stuks. Ja, ik ben jarig geweest.
Dank u wel voor de felicitaties. Klopt, veel familie en vrienden. Ik ben
zeker een lucky woman.
Even weg van de wereld. Lezen, uitpakken, nog eens lezen, genieten.
Huppelend terug naar het guesthouse. Maar eens kijken wat een vliegticket
naar Myanmar (Birma) kost. Internet, boodschappen, ik heb het zo druk als
een klein baasje. De dag vliegt voorbij.
's Avonds kom ik tot rust. Starend naar de drie bladen van de ventilator
aan het plafond doe ik de eenzaamheidstest. De test gaat als volgt: Ik zing
vier regels uit Ciske de Rat [Had ik maar iemand om van te houden, twee
zachte armen om mij heen. Die mij altijd beschermen zouden. Ik voel mij zo
verdomd alleen] en kijk wat er gebeurt.
Niets!!! Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Het lijkt wel een vacuum.
Apathisch staar ik nog steeds naar de ventilator. Ieder blad lijkt een
tijdseenheid te vertegenwoordigen. Verleden, heden en toekomst. Steeds
sneller draaien ze in het rond, duikelen over elkaar heen, draaien vooruit,
hun schaduw achteruit. Langzamerhand worden ze een.
Ik zweef, hang aan een koordje van een zeepbel. Krampachtig hou ik mijn
vast. Een adelaar tikt tegen de zeepbel die vervolgens uitelkaar spat. Ik
val, steeds sneller, steeds dieper. Als ik mijn ogen open doe, zit ik op de
bodem van een opgedroogde waterput. Ik kijk omhoog en zie een lichtpuntje.
Omhoogklauterend, dan weer terugglijdend, stijg ik gestaag met een steeds
zwaarder wordende rugzak. Bovengekomen sta ik midden in een enorm weiland
met madeliefjes. In een grote glazen bol zie ik familie en vrienden. Ik ren
er op af, maar ik kom niet dichterbij. Ik zak steeds verder weg in het
moeras. Het water stijgt tot aan mijn lippen en als ik om hulp wil roepen,
spoelt een golf zout water mijn mond binnen. Ik zwem verder totdat ik de
kust zie. Terwijl ik het strand op loop, zie ik dat het bezaaid ligt met
foto's. Uitgeput ga ik er tussen zitten en pak mijn boek. Ik sla het open
om te gaan lezen, maar alle bladzijden zijn leeg.
Ik sta op en doe de ventilator uit. De combinatie van het nachtelijk uur,
het open raam en het hor boven de deur, zorgen voor genoeg verkoelende
lucht. Langzaam komt het apparaat tot stilstand. Nu pas lees ik wat er op
de ventilatorbladen geschreven staat: 'What makes... the world... go round?
Foto's
|